Aectueel is een initiatief van logo

Wat is de pensioengerechtigde leeftijd: AOW- of pensioenrichtleeftijd?


02 oktober 2019

Het Gerechtshof Amsterdam heeft deze vraag beantwoord in een geschil tussen werkgever en werknemer. Daarbij ging het om het tijdstip waarop de dienstbetrekking van de werknemer zou eindigen.

In de arbeidsovereenkomst was afgesproken dat het dienstverband van rechtswege zou eindigen op de eerste van de maand samenvallend of volgend op de datum waarop de weknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Wat die pensioengerechtigde leeftijd nu precies was, was niet vastgelegd. 

In een brief van 23 maart 2018 heeft de werkgever aan gegeven dat de (pensioen)richtleeftijd per 1 januari 2018 is verhoogd van 67 jaar naar 68 jaar, als gevolg van de toegenomen levensverwachting.

De werkgever stelt zich echter op het standpunt dat de dienstbetrekking op 17 mei 2018 bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd (66 jaar) is geëindigd. 

De kantonrechter heeft de werkgever in eerste aanleg in het gelijk gesteld door aan te geven dat op grond van de arbeidsovereenkomst met pensioengerechtigde leeftijd de – objectief bepaalbare – AOW-gerechtigde leeftijd is bedoeld.  

Het Gerechtshof is het op voorhand niet eens met de lezing van de kantonrechter en oordeelt dat met “pensioengerechtigde leeftijd” niet de AOW-leeftijd, maar de pensioenleeftijd in het pensioenreglement is bedoeld.

Op het moment van de aanvang van het dienstverband in 2003 was de pensioenleeftijd 62 jaar (en de AOW-leeftijd 65 jaar). Het dienstverband kon in overleg met de werkgever worden verlengd (na 62 jaar). De conclusie is dan ook dat destijds met de pensioengerechtigde leeftijd de pensioenleeftijd in het pensioenreglement werd bedoeld, mede omdat partijen niet hebben beoogd de in 2003 bestaande afspraken te wijzigen. Bovendien was in de arbeidsovereenkomst uit 2003 de 65-jarige leeftijd, noch de AOW-leeftijd als mogelijke beëindiging van het dienstverband, vermeld. Het feit dat de werknemer op grond van flexibiliseringselementen in de pensioenregeling zelf een andere (eerdere of latere) pensioendatum kan kiezen, betekent niet dat het einde van het dienstverband door de werkgever eenzijdig kan worden vastgesteld. Partijen zijn het er over eens dat de pensioenleeftijd in het pensioenreglement door de jaren is opgeschoven via 65 jaar, naar 67 jaar en uiteindelijk naar 68 jaar per 1 januari 2018.

Het Gerechtshof komt tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst van de werknemer in kwestie pas met ingang van 1 juni 2020 van rechtswege eindigt. De vordering van doorbetaling van loon wordt toegewezen, de vordering tot tewerkstelling niet.

KLIK HIER voor de uitspraak

Bron: Hans Swagten, A&P