Aectueel is een initiatief van logo

Wijzigingen per 1-1-2020 op het gebied van Sociale Zekerheid!?

 

Inleiding:

Op 25 april 2018 heeft het Ministerie van Sociale Zaken & Werkgelegenheid voorgenomen wijzigingen van de Wfsv gepubliceerd. Deze wijzigingen moeten op 1-1-2020 ingaan. Dit gaat via een zogenaamde internetconsultatie. De markt kan hierop reageren en de reacties kunnen leiden tot aanpassing van het voorgenomen besluit.
Verkorting WGA-risicoperiode
Op 25 april 2018 heeft de regering een drietal concepten gepubliceerd voor wijzigingen van wettelijke bepalingen inzake de toerekening aan werkgevers van WGA-uitkeringen van (ex-) werknemers. Het betreft concepten voor:
•          een voorstel tot wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen;
•          een voorstel tot wijziging van het Besluit Wfsv;
•          een voorstel tot wijziging van de Regeling vaststelling periode eigenrisicodragen WGAuitkeringen.
Internetconsultatie

De concept-voorstellen zijn gepubliceerd op de website van de overheid in het kader van internetconsultatie. Tot en met 23 mei 2018 kan een ieder die dat wil op de concepten reageren. De reacties kunnen mogelijk leiden tot aanpassing van de voorstellen. 
Indiening van de uiteindelijke voorstellen bij de Tweede Kamer is voorzien voor het derde kwartaal van 2018. Daarbij worden ook voorstellen verwacht voor wijziging van de loondoorbetaling bij ziekte van kleine werkgever, aanpassing van de regeling van de loonsanctie en een aantal andere aanpassingen op het gebied van de WIA. Eveneens voor het derde kwartaal van 2018 worden aanpassingen verwacht op het gebied van het arbeidsrecht (ontslag, proeftijd, transitievergoeding, ketenbepaling, nul-uren, payroll) en ter zake van de introductie van premiedifferentiatie in de WW al naargelang sprake is van een vaste of tijdelijke contracten. De regering ziet deze voorstellen uitdrukkelijk in een onderling verband. Doelstelling van de voorstellen is om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken om arbeidskrachten te laten werken op basis van een vast contract.
 

Regeerakkoord

In het regeerakkoord van 10 oktober 2017 is afgesproken dat de periode van tien jaar waarin de gevolgen van een WGA-uitkering van een (ex-) werknemer voor rekening van de werkgever komen, wordt verkort naar vijf jaar. 
 

Voorgestelde maatregelen

De thans voorgestelde maatregelen betreffen meer dan hetgeen in het regeerakkoord was aangekondigd. Het gaat om:
•          verkorting van de periode waarin de WGA-uitkering voor rekening van de werkgever komt van tien jaar na vijf jaar, zowel voor werkgevers die publiek verzekerd zijn als voor eigenrisicodragers;
•          een eenmalige vrijstelling van de verplichting om na beëindiging van het
eigenrisicodragen ten minste drie jaar lang publiek verzekerd te blijven;
•          diverse maatregelen betreffende de berekening van de hoogte van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas, te weten:
            o     ten aanzien van de premiecomponent WGA-lasten: 
een tijdelijke verlaging van ter compensatie van een zogenaamde “rentehobbel”      (gevolgd       door  een    latere verhoging      van    deze premiecomponent);
tijdelijke aanpassing van de berekening van de opslag of korting; o ten aanzien van zowel de premiecomponent WGA-lasten als de premiecomponent ZW-lasten: 
het vervallen van het rekenpercentage en het wijzigen van de regeling van het gemiddelde percentage;
het wijzigen van de grens tussen kleine en middelgrote werkgevers;
een gescheiden berekening van sectorale en individuele premies;
aanpassing van    de      berekening    van    het     gemiddelde werkgeversrisicopercentage.De diverse maatregelen worden hieronder beschreven en van commentaar voorzien.
 

Verkorting van de WGA-risicoperiode

Op dit moment zijn de eerste tien jaar van de WGA-uitkering van belang voor de werkgever. De (middel)grote werkgever die publiek verzekerd is betaalt aan de belastingdienst een hogere premiecomponent WGA-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas als gevolg van de eerste tien jaar van de WGA-uitkering. De werkgever die eigenrisicodrager is betaalt gedurende de eerste tien jaar de WGA-uitkering zelf. De regering wil deze periode verkorten naar vijf jaar5. 

De verkorting van de WGA-risicoperiode betekent voor eigenrisicodragers ook dat de periode waarin de verantwoordelijkheid voor de re-integratie van de arbeidsongeschikte werknemer geldt (zowel voor wat betreft het eerste spoor als voor wat betreft het tweede spoor) dienovereenkomstig wordt verkort.
De verkorting van deze periode zou moeten ingaan op 1 januari 2020 en zou moeten gaan gelden voor WGA-uitkeringen van (ex-) werknemers waarvan de eerste dag van arbeidsongeschiktheid op of na 1 januari 2020 ligt. Voor WGA-uitkeringen van (ex-) werknemers die vóór 1 januari 2020 arbeidsongeschikt zijn geworden blijft de WGArisicoperiode tien jaar. Let op: zie echter hierna onder “Aanpassing van de opslag of korting” voor een maatregel waardoor voor publiek verzekerde werkgevers de risicoperiode met ingang van het premiejaar 2020 de facto toch wordt verkort naar vijf jaar!

Doelstelling van de verkorting van deze risicoperiode is dat het daardoor voor werkgevers aantrekkelijker zou worden om met werknemers een vast contract aan te gaan, omdat het financiële risico en de verantwoordelijkheid voor (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte (ex-) werknemers wordt beperkt. Daarmee wil de regering wat doen aan het gevoel bij werkgevers dat zij te veel verantwoordelijkheden hebben voor arbeidsongeschikte werknemers in verhouding tot de verantwoordelijkheden van die werknemers zelf. De regering acht het ondoelmatig om zo veel risico’s bij werkgevers neer te leggen omdat zij dan terughoudend zijn om werknemers in (vaste) dienst te nemen.
 

Vrijstelling van de verplichting om na beëindiging van het eigenrisicodragen ten minste drie jaar lang publiek verzekerd te blijven

Omdat de verkorting van de WGA-risicoperiode invloed heeft op zowel de publieke als de private premies, is de regering van mening dat werkgevers ook een nieuwe keuze moeten kunnen maken tussen publieke verzekering bij het UWV en betaling van de premiecomponent WGA-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas aan de belastingdienst enerzijds en eigenrisicodragen met (in de praktijk) betaling van een premie aan een verzekeringsmaatschappij anderzijds. Het verbod om eigenrisicodrager te worden binnen drie jaar nadat het eigenrisicodragen is geëindigd zou daar echter aan in de weg kunnen staan.

Daarom wordt een eenmalige uitzondering op dit verbod geregeld voor werkgevers waarvan het eigenrisicodragen is geëindigd en die in de periode van 1 januari 2020 tot en met 1 januari 2022 weer eigenrisicodrager willen worden. Daardoor kunnen publiek verzekerde werkgevers in elk geval overstappen naar het private stelsel.

Het Verbond van Verzekeraars zal zijn leden oproepen om werkgevers te faciliteren om een andere keuze te maken ondanks een eventueel nog lopend contract. Daardoor zouden privaat verzekerde werkgevers moeten kunnen overstappen naar het publieke stelsel.
 

Mitigatie rentehobbel

De verkorting van de WGA-risicoperiode zorgt er voor dat zich opnieuw het verschil doet voelen tussen de publieke verzekering waarbij het omslagstelsel geldt (waarbij de WGAuitkeringen van een bepaald kalenderjaar worden gefinancierd met de premies van dat jaar) en de private verzekering waarbij het rentedekkingsstelsel geldt (waarbij de uitkering gedurende de totale uitkeringsduur wordt bekostigd uit de premie van het jaar waarin de (ex-) werknemer arbeidsongeschikt is geworden).

Private verzekeraars kunnen daarom de verkorting van de WGA-risicoperiode in 2020 direct tot uitdrukking brengen in een verlaging van de premies. Het UWV daarentegen dient nog gedurende een reeks van jaren langer dan vijf jaar (maar korter dan tien jaar) lopende WGAuitkeringen te financieren uit de premiecomponent WGA-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas. Dit verschil wordt aangeduid als “de rentehobbel”.

Om te voorkomen dat werkgevers kiezen voor het eigenrisicodragen uitsluitend omdat de publieke premie als gevolg van de rentehobbel hoger wordt vastgesteld en derhalve met het doel om de concurrentie tussen het UWV en private verzekeraars in stand te houden, wil de regering deze rentehobbel “mitigeren”. De premiecomponent WGA-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas zal daartoe gedurende maximaal twaalf jaar vanaf 2020 lager worden vastgesteld. Dat gebeurt door het (bij de berekening van de hoogte van deze premiecomponent als uitgangspunt te hanteren) gemiddelde percentage te verminderen met een rentehobbelpercentage dat door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt vastgesteld in overleg met het UWV en dat ter beoordeling aan De Nederlandse Bank zal worden voorgelegd. 

Het tekort dat in de Werkhervattingskas ontstaat door lagere premieopbrengsten wordt in de jaren daarna weer ingelopen door de premie dan juist hoger vast te stellen dan nodig is om deze lastendekkend te doen zijn. Naar verwachting zal het mitigeren van de rentehobbel daardoor aan de orde zijn tot 2040.
Om te voorkomen dat de verlaging van de premie in de eerste jaren. gevolgd door een verhoging van de premie in de latere jaren, gevolgen heeft voor de overheidsfinanciën wordt de verlaging van de premiecomponent WGA-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas in de eerste jaren gecompenseerd door een hogere vaststelling van de basispremie. Omgekeerd wordt dan in de latere jaren de hogere vaststelling van de premiecomponent WGA-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas weer gecompenseerd door een lagere vaststelling van de basispremie.

Werkgevers die eigenrisicodrager zijn betalen wel de basispremie maar niet de premiecomponent WGA-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas. Zij betalen daardoor mee aan de verlaging van de premiecomponent WGA-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas die in de eerste jaren nodig is ter mitigering van de rentehobbel. Omgekeerd profiteren zij in de latere jaren van de verlaging van de basispremie die daarop volgt om de verhoging van de premiecomponent WGA-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas te compenseren. 
 

Aanpassing van de opslag of korting

De regering vindt het niet wenselijk dat publiek verzekerde werkgevers nog tot en met 2033 meebetalen aan vóór 2022 ingegane WGA-uitkeringen die nog gedurende tien jaar voor rekening van de werkgever zijn, terwijl werkgevers al vanaf 2020 nog “slechts” financieel risico lopen gedurende vijf jaar. Daarom wil de regering vanaf 2020 WGA-uitkeringen die langer dan vijf jaar lopen niet meer in aanmerking nemen bij het bepalen van de premiecomponent WGAlasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas23.


Vervallen van rekenpercentage

Bij de berekening van zowel de premiecomponent WGA-lasten als de premiecomponent ZWlasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas wordt thans uitgegaan van het rekenpercentage. Het rekenpercentage wordt jaarlijks op voorstel van het UWV door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgesteld. Om het rekenpercentage te kunnen berekenen moet eerst het gemiddelde percentage worden vastgesteld. Dat is het percentage aan premie dat in een bepaald kalenderjaar over de verwachte totale loonsom van alle publiek verzekerde werkgevers in Nederland moet worden berekend om het verwachte bedrag van de WGA-uitkeringen te kunnen bekostigen dat in het betreffende kalenderjaar moet worden betaald. Het gemiddelde percentage komt dus tot stand door op basis van de “begroting” van de Werkhervattingskas te berekenen wat een kostendekkende premie zou zijn.

Het rekenpercentage wordt vervolgens vastgesteld door het gemiddeld percentage te verhogen met een opslag die nodig is omdat niet alle werkgevers de (volledige) premie betalen. Met name vindt premiederving plaats doordat de premie gemaximeerd is. Het deel van de premie boven het maximum wordt dan immers niet betaald. In de toelichting op de wijziging van het Besluit Wfsv noemt de regering alleen dit voorbeeld, maar het gaat bijvoorbeeld ook om premie die gederfd wordt doordat werkgevers failliet zijn gegaan, of geen personeel meer hebben en dus geen premie meer betalen. 

Doordat de minimum en de maximumpremie worden vastgesteld op basis van het gemiddelde percentage (namelijk respectievelijk 25% van het gemiddelde percentage en 400% van het gemiddelde percentage) betalen werkgevers die de minimumpremie en werkgevers die de maximumpremie betalen niet mee aan de financiering van het deel van de premie dat op bovengenoemde wijzen wordt gederfd. Deze financiering wordt aldus uitsluitend opgebracht door werkgevers die een premie tussen het minimum en het maximum betalen.

De regering wil in deze situatie verandering brengen en doet dat door het rekenpercentage te laten vervallen en door de benodigde opslag direct toe te passen op het gemiddelde percentage. Daardoor worden de minimumpremie en de maximumpremie ook hoger en betalen ook werkgevers die de minimumpremie betalen mee aan die opslag (namelijk voor 25%) evenals werkgevers die de maximumpremie betalen (voor 400%).
 

Grens kleine en middelgrote werkgevers

Om individuele risico’s voor kleine werkgevers te verkleinen, wordt de grens tussen kleine werkgevers en middelgrote werkgevers verhoogd van 10 x het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer (voor de berekening van de premie over 2018: een premieplichtig loon over 2016 van € 328.000) naar 25 x het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer (voor de berekening van de premie over 2018 zou dat zijn: een premieplichtig loon over 2016 van € 820.000). Kleine werkgevers worden ontzien omdat aan hen minder mogelijkheden toegedicht worden om de arbeidsongeschiktheid van (ex-) werknemers te beïnvloeden.
Kleine werkgevers betalen een gedifferentieerde premie die per sector wordt vastgesteld26. Voor middelgrote werkgevers wordt de gedifferentieerde premie vastgesteld op basis van een gewogen gemiddelde van de sectorale premie (zoals die voor de kleine werkgever geldt) en van de individuele premie op basis van de aan de werkgever toe te rekenen Ziektewet- respectievelijk WGA-uitkeringen die twee jaar eerder zijn uitbetaald aan de (ex-) werknemers van de betreffende werkgever (zoals die voor de grote werkgever geldt). 


Gescheiden berekening van sectorale en individuele premies

De premiedifferentiatie die bij de vaststelling van de premiecomponenten ZW-lasten en WGAlasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas plaatsvindt, is allereerst gebaseerd op de vaststelling van het gemiddelde percentage (de premie die in een bepaald kalenderjaar naar verwachting over de totale loonsom van publiek verzekerde werkgevers moet worden geheven om de uitkeringen in dat kalenderjaar te kunnen betalen). Voor kleine werkgevers wordt een sectorale premie vastgesteld en voor grote werkgevers een premie die individueel bepaald wordt op basis van het bedrag van de twee jaar eerder aan (ex-) werknemers uitbetaalde Ziektewet- en WGA-uitkeringen. Voor middelgrote werkgevers is de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas een gewogen gemiddelde van de sectorale premie en de individueel bepaalde premie.
Zowel bij het bepalen van de sectorale premie voor kleine werkgevers als bij bepalen van de individueel bepaalde premie voor grote werkgevers wordt echter uitgegaan van hetzelfde gemiddelde percentage, dat wordt bepaald op grond van de loonsommen en uitkeringslasten van alle werkgevers, dus zowel de grote als de kleine. De regering wil dat veranderen en het gemiddelde percentage voor kleine werkgevers bepalen op grond van de loonsommen en uitkeringslasten van alleen de kleine werkgevers en het gemiddelde percentage voor grote werkgevers bepalen op grond van de loonsommen en uitkeringslasten van alleen de grote werkgevers. 

Deze wijziging is gunstig voor kleine werkgevers, omdat het arbeidsongeschiktheidsrisico van kleine werkgevers kleiner is dan dat van grote werkgevers. 
 

Aanpassing van de berekening van het gemiddelde werkgeversrisicopercentage

Bij de vaststelling van de premiecomponenten ZW-lasten en WGA-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas vindt de premiedifferentiatie plaats door vergelijking van het individuele werkgeversrisicopercentage van een werkgever met door het UWV vastgesteld gemiddelde werkgeversrisicopercentage. Als het individuele werkgeversrisicopercentage hoger is dan het gemiddelde werkgeversrisicopercentage krijgt de werkgever een opslag op het rekenpercentage. Als het individuele werkgeversrisicopercentage lager is dan het gemiddelde werkgeversrisicopercentage krijgt de werkgever juist een korting op het rekenpercentage.

Het werkgeversrisicopercentage bestaat daarbij uit een vergelijking van het bedrag van de uitkeringslasten van een bepaald jaar met de loonsom. Oorspronkelijk bestonden beide werkgeversrisicopercentages uit een vergelijking van de uitkeringslasten van het betreffende jaar (t-2) met het gemiddelde van de loonsommen van dat jaar en de vier voorafgaande jaren (t2 tot en met t-6). Per 1 januari 2014 besloot de regering echter om de berekening van (uitsluitend) het gemiddelde werkgeversrisicopercentage te wijzigen, aldus dat de uitkeringslasten van het jaar t-2 voortaan vergeleken zouden moeten worden met de loonsom van het jaar t-2 (en dus niet langer met het gemiddelde van de loonsommen over de jaren t-2 tot en met t-6). Toen heette het dat “het gemiddelde werkgeversrisico daardoor beter de risicoverdeling weerspiegelt van de werkgeverspopulatie waarover de premie wordt geheven” en zou dat leiden tot “een evenwichtiger verdeling van de opslagen en kortingen”. Er was destijds geen aandacht voor dat het gevolg was dat bij de vergelijking van het individuele werkgeversrisicopercentage met het gemiddelde werkgeversrisicopercentage ongelijke grootheden zouden worden vergeleken. 

Kennelijk is de regering nu alsnog tot het inzicht gekomen dat het vergelijken van ongelijke grootheden toch niet zo verstandig is, want nu wordt besloten de berekeningen van het individuele werkgeversrisicopercentage en het gemiddelde werkgeversrisicopercentage “gelijk te trekken”30.
 
top image
description image

Veslag Klap Pensioenseminar

1 maart 2018 Met 1400 miljard euro is de pensioenpot in Nederland beter gevuld dan ooit. Toch staat ons pensioenstelsel voor grote uitdagingen, want is die riante pot ook in staat aanspraken in de toekomst te garanderen? ... Lees meer