Aectueel is een initiatief van logo
foto columnist

De huidige doorsneepremie in de verplichtstelling: een perverse solidariteit?

Harrie Verbon, hoogleraar  openbare financiën aan de Universiteit van Tilburg, deed onlangs uit de doeken dat het door de sociale partners te sluiten pensioenakkoord  - in sterkere mate dan thans het geval is - een herverdeling doet ontstaan van lage naar hoge inkomens resp. van laag- naar hoogopgeleiden. In  het consumentenprogramma van Tros Radar van 9 mei 2011 legde Harrie Verbon uit door middel van een concreet voorbeeld aan de kijkers hoe deze omgekeerde solidariteit tot stand komt.

De boosdoener is het fenomeen doorsneepremie;  een financieringssystematiek die overigens ten aanzien van pensioenen wettelijk (t.w. de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 – kortweg Wet Bpf 2000) is verankerd, ten minste voor zover het de collectieve basisregeling betreft. De Wet Bpf 2000 bepaalt dat deelname aan het pensioenfonds verplicht kan worden gesteld voor alle werkgevers  in de bedrijfstak. Voor alle werkgevers betekent dat ook de niet – georganiseerde werknemers gehouden zijn voor hun werknemers bij te dragen aan het bedrijfstakpensioenfonds.  In de jaren ‘90 is veel discussie geweest over de verplichtstelling; de discussie richtte zich voornamelijk op het gebrek aan marktwerking. De inbreuk op de marktwerking is gerechtvaardigd doordat pensioenfondsen opereren op basis van collectiviteit en solidariteit. Die solidariteit is terug te vinden in de doorsneepremie.

Met de doorsneepremie wordt bereikt dat de premiehoogte niet afhankelijk wordt gesteld van individuele kenmerken, zoals leeftijd, geslacht en gezondheid of burgerlijke staat. Op het bedrijfstakpensioenfonds is dus de acceptatieplicht van toepassing. Een voordeel van de doorsneepremie bij pensioenen is dat de individuele deelnemer het beleggings-, rente-, langleven- en inflatierisico deelt met het collectief, hetgeen een prijsverlagend effect kan sorteren. De doorsneepremie  in combinatie met een doorsneeopbouw leidt echter tot onderlinge subsidies; immers in dit systeem betalen de jongere en oudere deelnemers evenveel voor elke euro pensioenopbouw, terwijl de inkoopprijs van een euro pensioen voor de jongere lager is dan inkoopprijs van een euro pensioen voor de ouderen. De jongeren betalen dus teveel premie en de ouderen te weinig. Een deel van de door de jongeren betaalde premie wordt zo overgeheveld om de pensioenopbouw van de ouderen te bekostigen. Deze systematiek van doorsneepremie bevat dus een omslagelement, vergelijkbaar met de financiering van de AOW; en dit terwijl het toch de bedoeling is dat ons tweedepijler pensioen kapitaalgedekt gefinancierd wordt. Natuurlijk valt hier het een en ander te nuanceren; immers  wie nu jong is, zal later oud zijn; per saldo zal een gemiddelde deelnemer dus noch profiteren noch nadeel  ondervinden van dit doorsneesysteem. De vraag is echter of de gemiddelde deelnemer bestaat. Zo zijn er deelnemers die om wat voor reden dan ook al op jonge leeftijd  sterven; zij zullen van dit systeem niet kunnen profiteren. Bovendien blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat hoogopgeleiden een betere levensverwachting kennen dan laagopgeleiden. Verschillen in loopbaanpatronen en daaraan gerelateerd in levensverwachting brengen het omslagkarakter van de doorsneepremie nog pregnanter naar voren. Hoe solidair is dit type doorsneepremie dan nog? Is hier geen sprake van omgekeerde solidariteit?.

De Wet Bpf 2000 is dwingend ten aanzien van de doorsneepremie voor de basisregeling vanwege de daaraan ten grondslag liggende solidariteitsgedachte. Ook Europeesrechtelijk is inbreuk op marktwerking, die verplichtstelling tot gevolg heeft,  gerechtvaardigd geacht onder meer door het principe van de doorsneepremie.   Aangetoond is eerder dat de doorsneepremie in combinatie met de doorsneeopbouw juist tot een omgekeerde solidariteit leidt. Kan de doorsneepremiesystematiek dan anders ingevuld worden, waarbij de solidariteitsgedachte eerlijker en rechtvaardiger tot haar recht komt? Ja, dat kan volgens dehooggeleerden: door de doorsneeopbouw te vervangen door degressieve opbouw, die bijvoorbeeld leeftijdsgerelateerd is: de deelnemer krijgt een bij zijn leeftijd horende pensioenopbouw, hoe ouder de deelnemer, des te lager de pensioenopbouw.  Een andere vorm van degressieve opbouw is door het opbouwpercentage van hoogopgeleiden lager te stellen dan dat van laagopgeleiden.

De vraag rijst of een doorsneepremie in combinatie met degressieve opbouw bij de huidige stand van de regelgeving juridisch houdbaar is. Kijkend allereerst naar de Pensioenwet, dan komt het mij voor dat art. 17 van de Pensioenwet hieraan in de weg staat. Laatstgenoemde bepaling vereist namelijk dat de verwerving van pensioenaanspraken bij een uitkerings- of kapitaalovereenkomst gedurende de deelneming ten minste evenredig in de tijd plaatsvindt. De eis van evenredige opbouw betekent dat het opbouwpercentage per pensioenjaar tijdens de opbouwperiode in principe ten minste gelijk moet blijven, aldus de Memorie van Toelichting. Hiervan is bij degressieve opbouw geen sprake.

Verder zal degressieve pensioenopbouw, waarbij leeftijds- dan wel inkomensdifferentiatie als uitgangspunt wordt gehanteerd, getoetst  moeten worden aan de verschillende vormen gelijke behandelingswetgeving. Zo doet zich de vraag voor of de opbouw van met de leeftijd dalende pensioenaanspraken te rechtvaardigen valt op grond van  de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBLA).

Al met al is het niet eenvoudig om goede alternatieven te bedenken voor de huidige doorsneepremie, die juridisch houdbaar zijn - gestoeld op solidariteit passend in de huidige tijd - en die een beter evenwicht bieden tussen ingelegde premie en pensioenopbouw. Het is opmerkelijk dat sociale partners, thans bezig aan het pensioenakkoord, geen enkele aandacht schenken aan de negatieve aspecten van de bestaande doorsneepremiesystematiek. Met het pensioenakkoord willen sociale partners het pensioenstelsel aanpassen aan de eisen van de tijd, aldus het Pensioenakkoord voorjaar 2010. Maar de doorsneepremie in de bestaande vorm blijft overeind “for the sake of” de verplichtstelling. 80% van de Nederlandse werknemers neemt verplicht deel aan een pensioenregeling bij een bedrijfstakpensioenfonds in de veronderstelling dat de huidige doorsneepremie een uiting is van de solidariteitsgedachte, die sociale partners zo trots omarmen. De negatieve aspecten van die solidariteitsgedachte in de bestaande vorm worden echter niet aan de grote klok gehangen. Een fenomeen dat men overigens ook aantreft bij instellingen die opkomen voor goede (?) doelen. Gezond wantrouwen jegens dit soort instituties is op zijn zachtst gezegd zeker niet misplaatst. Goed dat de motie Klaver c.s. onlangs is aangenomen, die pensioenfondsen verplicht jaarlijks via het UPO deelnemers te informeren over de betaalde pensioenpremies en de in dat jaar opgebouwde aanspraken; een plicht die het logisch gevolg is van de alsmaar toenemende vraag naar transparantie. Te hopen is dat ook de sociale partners volgen.  De paternalistische houding jegens de achterban van ‘’Slaapt u maar lekker verder, wij zorgen wel voor u’’ is echt niet meer van deze tijd.
Overigens verplichte deelneming is een groot goed, maar verplichte uitvoering als domein van de sociale partners past niet in een democratische rechtsstaat.

Mr. Juanita Sutrisna CPL, pensioenjurist en eigenaar van Tweedepijler Pensioenadvies
top image
description image

Veslag Klap Pensioenseminar

1 maart 2018 Met 1400 miljard euro is de pensioenpot in Nederland beter gevuld dan ooit. Toch staat ons pensioenstelsel voor grote uitdagingen, want is die riante pot ook in staat aanspraken in de toekomst te garanderen? ... Lees meer